Een ranonkel van de bosbodem
De bosanemoon (Anemone nemorosa) hoort bij de ranonkelfamilie, net als de boterbloem. In nieuwere indelingen staat hij als Anemonoides nemorosa te boek. Het is een vaste plant van 10 tot 25 centimeter die bloeit van maart tot mei, in de periode dat er nog volop licht op de bosbodem valt. Elke stengel draagt drie bladeren en één bloem van 2 tot 4 centimeter breed.
Kelk- en kroonbladen zijn niet van elkaar te onderscheiden; botanici spreken van bloemdekbladen. Meestal zijn het er zes tot acht, soms tot twaalf. Insecten bestuiven de bloemen, vooral zweefvliegen.
Een wijzer van oud bos
In Nederland is de bosanemoon algemeen in de duinen en op de zandgronden, maar zeldzaam in kleigebieden. Hij groeit op voedselrijke bosgrond. Omdat de plant zich via wortelstokken maar langzaam uitbreidt, geldt een flinke groeiplaats als aanwijzing dat het bos er al heel lang staat. Hij groeit dan vaak samen met andere oudbosplanten, zoals knolletjesgeelster en heelkruid.
Rond 1912 werd de bosanemoon zo massaal geplukt dat natuurhistorische tijdschriften opriepen hem te beschermen.
Leven onder de grond
De bosanemoon overleeft met horizontale wortelstokken die vlak onder het oppervlak lopen, met witte knoppen waaruit nieuwe scheuten komen. Zo ontstaan na vele jaren de bekende tapijten. Na de bloei vormt de plant een hoopje kleine nootjes. In het Engels heet hij windflower, omdat de bloemen op hun dunne steeltjes in de wind wiegen, en door de muskusachtige geur van het blad ook smell fox.
Er bestaan ook tuinvormen, waaronder gevulde.
Giftig sap
Zoals veel ranonkelachtigen bevat de bosanemoon protoanemonine, een bittere, vluchtige olie. Bij aanraking kan die rode vlekken en blaren op de huid geven, en ingenomen leidt hij tot vergiftigingsverschijnselen en maag- en darmklachten. Laat kinderen en huisdieren de plant dus niet in de mond nemen.
Draag handschoenen als je wortelstokken plant of verplaatst. Na verloop van tijd verandert de stof overigens in het onschuldige anemonine.