Van wilde roos tot tuinroos
Rozen horen bij de rozenfamilie (Rosaceae). Wilde rozen hebben meestal vijf kroonbladen en bloeien vaak wit of roze, al bestaan er ook gele en rode soorten. Na de bloei vormen ze rozenbottels: schijnvruchten met harde zaadjes erin. Van de bottels van de hondsroos (Rosa canina) wordt jam en siroop gemaakt.
De enorme kleuren- en vormenrijkdom van moderne rozen is het werk van kwekers. In Nederland worden rozen al sinds de zestiende eeuw gekweekt. Rond het begin van de negentiende eeuw kwam de Chinese roos naar het westen, en daardoor ontstonden rassen die langer en vaker bloeien. Tegenwoordig zijn er zoveel cultivars dat zelfs indelen lastig is: klimrozen, struikrozen, bodembedekkers en nog veel meer.
Wat de kleuren traditioneel zeggen
In de bloementaal hebben rozenkleuren een vaste betekenis gekregen. Het zijn gebruiken, geen regels:
- Rood wordt geassocieerd met echte liefde en hartstocht.
- Wit staat traditioneel voor zuiverheid en onschuld.
- Geel hoort bij vriendschap.
- Lichtroze drukt bewondering uit, donkerroze dankbaarheid.
- Oranje wordt verbonden met passie.
Bestaat een blauwe roos?
Nee, niet van nature. Rozen missen het erfelijke vermogen om de blauwe kleurstof delfinidine te maken. Blauwe rozen in de winkel zijn witte rozen die geverfd zijn. Met genetische modificatie hebben onderzoekers een roos gemaakt met een gen uit het viooltje, maar die bloeit mauve tot lavendelkleurig en niet echt blauw.
Mede daarom wordt de blauwe roos traditioneel geassocieerd met het mysterieuze.
Rozen en huisdieren
Volgens de ASPCA zijn rozen niet giftig voor honden, katten en paarden. Een rozenboeket kan dus veilig in een huis met dieren staan. Let wel op de doornen, die een nieuwsgierige neus of poot kunnen openhalen.