Van de droge hellingen in het zuiden
Echte lavendel hoort bij de lipbloemenfamilie (Lamiaceae) en groeit van nature op droge, stenige kalkhellingen in Zuid-Europa. Het is een lage, sterk vertakte halfheester van ongeveer 75 centimeter, die door snoei rond de 50 centimeter blijft. De smalle, grijsgroene en behaarde bladeren blijven in de winter aan de plant.
De bloemen zijn klein, 3 tot 5 millimeter, en meestal violetblauw. Lavendel bloeit van juni tot augustus en trekt dan veel bijen en vlinders.
Rassen en kleuren
Paarsblauw is de bekendste kleur, maar er zijn ook roze en witte vormen:
- 'Hidcote' is compact, met zilvergrijs blad en diep violetpaarse aren. De RHS geeft hem een hoogte van ongeveer 50 centimeter.
- 'Munstead' is zachtviolet en wordt rond de 60 centimeter.
- 'Nana Alba' is een witte dwergvorm van zo'n 25 centimeter.
- 'Rosea' bloeit lilaroze.
De meeste rassen worden als kloon via stek vermeerderd, zodat elke plant precies op de moederplant lijkt. Lavandin (Lavandula × intermedia) is een kruising van echte lavendel met spijklavendel; die planten zijn groter en bloeien later.
Planten, snoeien en drogen
- Kies een plek in de volle zon met droge, goed doorlatende grond. Natte voeten in de winter zijn voor lavendel gevaarlijker dan vorst.
- Knip na de bloei de uitgebloeide aren weg, zodat de plant compact blijft. Knip niet tot in het kale hout, want daar loopt lavendel moeilijk uit.
- Wil je drogen, oogst dan als de eerste bloempjes opengaan. Hang bosjes ondersteboven op een donkere, luchtige plek.
Gedroogde lavendel ruikt nog lang en gaat in geurzakjes voor de linnenkast. Uit de bloemen wordt bovendien etherische olie gedestilleerd voor parfum.
Lavendel en huisdieren
Volgens de ASPCA is lavendel giftig voor honden, katten en paarden. De stoffen linalool en linalylacetaat kunnen misselijkheid, braken en verminderde eetlust geven. Houd vooral lavendelolie buiten bereik van je huisdier.