Een wolk van kleine bloempjes
Het gipskruid uit de bloemenwinkel is pluimgipskruid, Gypsophila paniculata, uit de anjerfamilie. De soort komt oorspronkelijk uit Zuidoost- en Midden-Europa en West-Siberië, waar hij op steppen en kalkrijke grond groeit; de geslachtsnaam verwijst naar die voorkeur voor gips en kalk. Al in 1596 werd hij in Engeland ingevoerd.
In Nederland is hij via siertuinen verwilderd en geldt hij als nieuwe soort in onze flora.
De sterk vertakte stelen dragen wolken van heel kleine bloempjes. Daarom gebruiken bloemisten gipskruid als vulling tussen grotere bloemen en aan de randen van een boeket. Een groot deel van het gesneden gipskruid in de wereld komt uit Zuid-Amerika, en in Peru is het een belangrijk exportproduct. In het Engels heet de plant baby's breath.
Alleen of in een boeket
Een groot boeket van alleen gipskruid is mooi bij een bruiloft, een geboorte of als luchtig bedankje. Samen met rozen is het een klassiek duo, maar het past ook bij anjers, tulpen en pioenen. Naast het witte gipskruid zijn er zachtroze selecties.
Verzorging en drogen
- Snijd de stelen schuin af en zet ze in vers, schoon water. In de vaas blijft gipskruid ongeveer een tot twee weken goed.
- Ververs het water vaak. De geur van gipskruid wordt wel vergeleken met zure melk, en die wordt sterker als het water lang staat.
- Wil je het drogen, hang dan een bosje ondersteboven op een droge, donkere plek. Na een paar dagen is het droog en blijft het lang mooi.
Huisdieren en huid
De ASPCA rekent gipskruid niet tot de giftige planten voor honden, katten en paarden. Wel kan het eten ervan lichte maag-darmklachten geven, zoals braken en diarree. Bij mensen kan de plant contactdermatitis veroorzaken; wie veel gipskruid verwerkt en een gevoelige huid heeft, draagt het best handschoenen.